HOME arrow PUBLICATIES arrow Brood & Rozen arrow Brood & Rozen, (2011)3
Brood & Rozen, (2011)3 PDF Afdrukken E-mail
Brood & Rozen 2011_3  Vorige edities zie
website Brood & Rozen


Bestellen


Edito
Paule Verbruggen
Over kinderen, luchtvervuiling, Raymond Brulez en vrouwen
p. 2-3

Bijdrage
Frank Simon & Bruno Vanobbergen
‘Merci à tous et à toutes de votre propagande’. Aimé Bogaerts en de Gentse Volkskinderen als reizende kolonie (1898-1915)
p. 5-31

Opgemerkt
Romain John van de Maele
De vlijt stond in de lucht geschreven. De Aalsterse pers over rookhinder en luchtvervuiling van 1850 tot 1930
p. 32-45


Opgemerkt
Joris van Parys
Kleine grote geschiedenis. De belle époque van Blankenberge en de boeken van Raymond Brulez
p. 47-61

Opinie
Hannelore Vandebroek
Geschiedenis schrijven tussen gender en klasse. Enkele reflecties
p. 63-70

Collectie
Martijn Vandenbroucke
De diversiteit van het coöperatief archief. Van Comptoir de Dépots et de Prêts tot Les Socialistes Réunis
p. 71-77

Publicatie
Piet Creve, Leo LUCASSEN & Jan LUCASSEN, Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar migratie
p. 78-80

Publicatie
Willie Verhoysen, ERNESTAN, You Anarchist, You!
p. 81-84

Publicatie
Bart De Wilde, Fabien AUDOOREN (red.), De Buren van de Abdij. 800 jaar arm en rijk in de Machariuswijk
p. 85-87




‘Merci à tous et à toutes de votre propagande’. Aimé Bogaerts en de Gentse Volkskinderen als reizende kolonie (1898-1915)

Frank Simon, em. prof. dr. Historische Pedagogiek, Universiteit Gent
Bruno Vanobbergen, Vlaams kinderrechtencommissaris, gastprofessor vakgroep Pedagogiek, Universiteit Gent

Eind 19e eeuw startte de socialistische Gentse onderwijzer Aimé Bogaerts – vanaf 1901 hoofdredacteur van Vooruit – met een educatief project: de Gentse Volkskinderen, een reizende kolonie voor kinderen, die tijdens hun uitstappen in binnen- en buitenland toneel- en dansvoorstellingen verzorgden. Paul Robins integrale opvoeding, zoals toegepast in het weeshuis Prévost in Cempuis, stond als voorbeeld. Bogaerts leidde de groep kinderen tot aan zijn overlijden in 1915. In dit artikel analyseren we de Volkskinderen vanuit een tweevoudig concept van ‘children at risk’, op basis van primaire bronnen zoals brieven, dagboeken, artikels in Vooruit, en foto’s. Op het politiek-ideologische vlak streefde Bogaerts de vorming van het verzuilde socialistische kind na; op het pedagogische vlak wilde hij het rationalistische opvoedingsproject realiseren. Die dubbele analyse onthult een interessante pedagogische tegenstrijdigheid: de integraal rationalistisch opgevoede kinderen fungeerden als socialistische propaganda-instrumenten.

‘Merci à tous et à toutes de votre propagande’. Aimé Bogaerts and the ‘Gentse Volkskinderen’ on tour (1898-1915)

Frank Simon, Emeritus Professor of History of Education, Universiteit Gent
Bruno Vanobbergem, Flemish Children’s Rights Commissioner, Visiting Professor at the Pedagogy Department, Universiteit Gent

At the end of the 19th century the Ghent socialist primary school teacher Aimé Bogaerts – as from 1901 chief editor of the socialist newspaper Vooruit – launched an education project: the Gentse Volkskinderen (the Ghent Children of the People), a ‘travelling colony’ of Ghent working-class children, which gave theatrical and ballet performances both in Belgium and abroad during the holidays. Paul Robin’s theory of integral education, as it was put into practice in the Prévost orphanage in Cempuis, served as a model. In this article we analyze the Volkskinderen from a twofold perspective on ‘children at risk’, on the basis of primary sources such as letters, diaries, articles in Vooruit and pictures. From a political and ideological point of view Bogaerts wanted to mould them into socialist, ‘pillarised’ children; from a pedagogical point of view he wanted to realize the rationalistic education project. This twofold analysis reveals a curious pedagogical paradox: children educated in a rationalistic and integral way served as socialist propaganda tools.

‘Merci à tous et à toutes de votre propagande’. Aimé Bogaerts et les ‘Enfants du peuple gantois’ comme colonie itinérante (1898-1915)

Frank Simon, Prof. Em. Dr. Histoire de l’éducation, Universiteit Gent
Bruno Vanobbergen, homologue flamand du Délégué général aux droits de l’enfant, professeur invité unité de recherche de Pédagogie, Universiteit Gent

A la fin du 19ème siècle, l’instituteur gantois socialiste Aimé Bogaerts – rédacteur en chef du quotidien Vooruit dès 1901 – démarra un projet éducatif: les Gentse Volkskinderen (les Enfants du Peuple gantois), une colonie itinérante pour les enfants, qui proposaient des représentations théâtrales et des récitals de danse lors de leurs sorties à l’intérieur et à l’extérieur de nos frontières. L’éducation intégrale de Paul Robin, telle qu’elle fut mise en oeuvre au sein de l’orphelinat Prévost à Cempuis, faisait figure d’étendard. Bogaerts y dirigea le groupe d’enfants jusqu’à son décès en 1915. Dans cette contribution, nous analysons les Enfants du Peuple à partir d’un concept double de ‘children at risk’, en nous fondant sur des sources primaires comme des lettres, des journaux de bord, ou encore des articles de Vooruit et des photos. Sur le plan politicoidéologique, Bogaerts ciblait la formation de l’enfant socialiste ‘pilarisé’; sur le plan pédagogique, il souhaitait concrétiser le projet d’éducation rationaliste. Cette double analyse lève le voile sur un intéressant paradoxe pédagogique: les enfants éduqués sur le mode rationaliste intégral fonctionnaient comme des instruments de propagande socialiste. 


De vlijt stond in de lucht geschreven. De Aalsterse pers over rookhinder en luchtvervuiling van 1850 tot 1930

Romain John van de Maele

In mei 2009 vond in Aalst een tentoonstelling plaats over ‘belforten van de arbeid’. De bezoekers konden er kennismaken met de fabrieksstad Aalst, een stad die in de tweede helft van de 19e eeuw opviel door het grote aantal fabrieksschoorstenen. Die domineerden tot ver in de 20e eeuw het stadsbeeld. Toen in 1926 de eerste ‘handelsfoor’ in Aalst werd georganiseerd, trachtte de stad met toeristische zegels bezoekers aan te trekken. Een van de twaalf zegels was een panorama met de hoge schoorstenen en hun typische zwarte rook. Zwarte rook en andere emissies hebben onze taal verrijkt. De voorbije decennia maakten we kennis met woorden als ozonconcentratie, broeikasgas en smogalarm, maar de feno­menen zelf zijn heel wat ouder. Klachten over vervuiling zijn evenmin nieuw, al klinkt het protest nu luider. Protesten en reacties uit de periode 1850-1930, zoals ze destijds in Aalsterse kranten werden verwoord, liggen aan de basis van dit artikel.

Diligence was written in the air. The Aalst press on smoke hindrance and air pollution from 1850 to 1930

Romain John van de Maele

An exhibition on the ‘belfries of labour’ was held in Aalst (Belgium) in May 2009. Visitors were introduced to the industrial town of Aalst, characterized in the second half of the 19th century by a great number of industrial chimneys, which dominated the townscape well into the 20th century. When, in 1926, a ‘trade fair’ was organized in Aalst for the first time, the Aalst City Council issued twelve tourist stamps in an attempt to attract visitors. One of the stamps featured a panorama with high chimneys and the typical black smoke billowing out of them. Black smoke and other emissions have enriched our language. Words such as ozone concentration, greenhouse gas and smog alarm have established themselves in our language in the bygone decades, but the phenomena themselves are much older. Complaints about pollution are not new either, though protests nowadays are more vociferous. This contribution draws on protests and reactions as they were voiced in Aalst newspapers during the 1850-1930 period.

Il n’y a pas de fumée sans travail. La presse alostoise à propos des nuisances générées par la fumée et la pollution atmosphérique de 1850 à 1930

Romain John van de Maele

En mai 2009 se tint à Alost une exposition mettant à l’honneur les ‘beffrois du travail’. Une façon pour les visiteurs de faire connaissance avec la ville industrielle d’Alost qui, dans la seconde moitié du 19ème siècle, impressionnait par son grand nombre de cheminées d’usine. Celles-ci dominèrent le paysage urbain jusque loin dans le 20ème siècle. Lorsque la première ‘foire commerciale’ fut organisée à Alost en 1926, la ville tenta d’attirer les visiteurs grâce à une série de douze timbres touristiques. L’un de ceux-ci figurait un panorama avec de hautes cheminées d’usine et leur fumée noire caractéristique. Fumée noire et émissions diverses ont enrichi notre langue. Si ces dernières décennies nous ont en effet familiarisés avec des mots comme ‘concentration d’ozone’, ‘gaz à effet de serre’, ou encore ‘alerte au smog’, il est à noter que le phénomène en tant que tel est beaucoup plus ancien. Quant aux doléances à propos de la pollution, elles résonnent aujourd’hui avec plus de force mais ne datent pas d’hier, elles non plus. Les récriminations et réactions dans la période 1850- 1930, telles qu’elles s’exprimaient à l’époque dans la presse alostoise, constituent le terreau de cette contribution.


Kleine grote geschiedenis. De belle époque van Blankenberge en de boeken van Raymond Brulez

Joris van Parys, biograaf

Raymond Brulez was een kind van de belle époque. In 1895 werd hij als jongste zoon van een Blankenbergse gemeentesecretaris geboren in het hotel-pension van zijn moeder – Maison Brulez-D’Hondt werd het ‘huis te Borgen’ in zijn boeken. Na de voortijdige dood van vader Brulez in 1906 verhuisde het gezin naar Watermaal bij Brussel. In de Vlaamse literatuur van het interbellum maakte Raymond Brulez naam met de korte roman André Terval. Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid (1930) en de verhalenbundel Sheherazade of Literatuur als losprijs (1932). Zijn hoofdwerk is de vierdelige cyclus Mijn woningen (1950-1955), waarvan het eerste deel, Het huis te Borgen, in 1951 werd bekroond met de Staatsprijs voor verhalend proza. Mijn woningen is meer dan een geromantiseerde autobiografie. Naar aanleiding van de heruitgave in één boekdeel (1997) noemde Benno Barnard de cyclus: ‘Meer dan wat ook het belangrijkste, betrouwbaarste en ontroerendste ooggetuigenverslag van de eerste helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen.’ Meer dan dankbaar materiaal voor biograaf Joris van Parys om na zijn boeken over de anarchistische wereldverbeteraar Frans Masereel en de onafhankelijke liberaal Cyriel Buysse, het levensverhaal van de niet minder vrijmoedige scepticus Raymond Brulez, de ‘Vlaamse Voltaire’, te reconstrueren, als sluitstuk van een triptiek die de grenzen tussen literaire biografie en cultuurgeschiedenis verschuift. Deze bijdrage is een voorstudie voor de eerste hoofdstukken van die biografie.

Little big history. The Belle Époque in Blankenberge and the books of Raymond Brulez

Joris van Parys, biographer

Raymond Brulez was a child of the Belle Époque. Born in Blankenberge, in 1895, in the boardinghouse of his mother, he was the youngest son of the town secretary. Maison Brulez-D’Hondt appeared in his books as the ‘huis te Borgen’ (the house in Borgen). After the untimely death of his father in 1906, the family moved to Watermaal, in the vicinity of Brussels. He made his name as a Flemish author in the interwar period with a short novel, André Terval. Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid (Introduction to a life of equanimity, 1930), and the collection of stories Sheherazade of Literatuur als losprijs (Literature as ransom, 1932). His major work is the four-part series of books entitled Mijn woningen (My dwellings). For the first part of it, Het huis te Borgen, Brulez was awarded the State Prize for Narrative Prose in 1951. Mijn woningen is a romanticized autobiography, but it is much more than that. According to Benno Barnard, on the occasion of the reissue in one volume (1997), ‘it is by far the most important, reliable and moving eyewitness account of the first half of the twentieth century in Flanders’. Reconstructing the life story of Raymond Brulez, the ‘Flemish Voltaire’ and an outspoken sceptic, has been an immensely rewarding undertaking to Joris van Parys, his biographer, who has previously published biographies on the anarchist do-gooder Frans Masereel and the independent liberal Cyriel Buysse. His biography of Brulez is the final part of a triptych, in which the boundaries between literary biography and cultural history are shifting. This contribution is a preliminary to the first chapters of this biography.

Petite grande histoire. La belle époque de Blankenberge et les livres de Raymond Brulez


Joris van Parys, biographe

Raymond Brulez fut un enfant de la belle époque. Dernier-né d’un secrétaire communal de Blankenberge, il vit le jour en 1895 dans la pension-hôtel tenue par sa mère - la Maison Brulez-D’Hondt qui devint la ‘huis te Borgen’ dans ses livres. Après la mort prématurée du père Brulez en 1906, la famille s’installa à Watermael près de Bruxelles. Dans la littérature flamande de l’entre-deux guerres, Raymond Brulez se fit un nom avec le court roman André Terval. Inleiding tot een leven van gelijkmoedigheid (1930) et le recueil d’histoires Sheherazade of Literatuur als losprijs (1932). Son oeuvre majeure est la tétralogie Mijn woningen (1950-1955), dont la première partie, Het huis te Borgen, fut couronnée en 1951 du Prix d’Etat de prose narrative. Mijn woningen est plus qu’une autobiographie romancée. Suite à sa réédition en un seul volume (1997) Benno Barnard n’hésita pas à qualifier l’oeuvre ‘de témoignage oculaire de loin le plus important, le plus fiable et le plus émouvant de la première moitié du vingtième siècle en Flandre’. Après la publication de ses livres à propos du réformateur anarchiste Frans Masereel et du libéral indépendant Cyriel Buysse, le biographe Joris van Parys trouve en ce ‘Voltaire flamand’ un terreau plus que fertile pour reconstituer le chemin de vie du non moins sceptique et franc Raymond Brulez. Voilà qui clôt un triptyque qui déplace les frontières entre biographie littéraire et histoire culturelle. Cette contribution est une étude préliminaire aux premiers chapitres de cette biographie.