HOME arrow PUBLICATIES arrow Brood & Rozen arrow Brood & Rozen, (2015)3
Brood & Rozen, (2015)3 PDF Afdrukken E-mail
Image 


Bestellen

 


Edito
Paule Verbruggen
pp. 2-3 

Bijdrage
Peter Scholliers, Honderd jaar koopkracht in België (1914-2014)   
pp. 5-22

Bijdrage
Els Witte, De sociale samenstelling van het Belgisch orangisme: een verkenning (1828-1850)
pp. 23-37 

Opgemerkt
Marc Constandt, Personeel in beeld. Op zoek naar werknemers in de logiessector aan zee (1880-1965)
pp. 38-51

Opgemerkt
Piet Creve en Daphné Maes, Project onder de loep. Vogels die niet vliegen gaan dood. 30 jaar Ghanezen in Gent en Oost-Vlaanderen
pp.60-65 

Curiosum
Sofie Vrielynck, Maquettes voor Romain
pp. 52-59 

Recensie
Dominique De Groen, Guy JANSSENS, De Grooten Oorlog in Brusselse straatliedjes uit 1914-1918
pp. 66-68 

Recensie
Jurgen Masure, Lucas CATHERINE, Brussel: van renaissance tot republiek
pp. 69-70

 

 

Bijdrage

Honderd jaar koopkracht in België (1914-2014)

Peter Scholliers, hoogleraar geschiedenis, VUB


In 1999 becijferde het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor de jaren 1958 tot 1996 de koopkracht van het bruto- én nettoloon. Dat laatste werd (en wordt) bijna nooit gedaan omdat afhoudingen voor sociale zekerheid en belastingen individueel zijn. Het ministerie argumenteerde dat mensen geen oog hebben voor een abstract brutoloon, maar enkel belang hechten aan het loonzakje en wat daarmee kan worden gekocht. De vergelijking tussen bruto- en nettolonen is ontnuchterend: tussen 1958 en 1996 is de kloof almaar gegroeid. Vergeleken met de ons omliggende landen had België in de jaren 1980 en 1990 een hoge loonkost, maar een gemiddeld nettoloon. Ik geraakte gefascineerd door die informatie over bruto- en nettolonen, vroeg me af hoe beide evolueerden na 1996 en verdiepte me in berekeningen om van bruto naar netto te gaan. Maar nog interessanter zijn de reële nettolonen, dat wil zeggen de nettolonen gedeeld door het prijsindexcijfer. Het belang van die reële nettolonen is evident. Die geven immers de koopkracht aan van de loontrekkenden. Kennis over de evolutie ervan is nodig voor onderzoek naar de levensstandaard, de consumptiemaatschappij, arbeidsverhoudingen, stakingen, mortaliteit of ongelijkheid, wat essentiële thema’s zijn in de sociale geschiedschrijving. Geïnspireerd door het onderzoek van het ministerie, vatte ik bijgevolg het plan op nettolonen te volgen in de jaren voor 1958 en na 1996, die om te zetten in reële nettolonen en zo de evolutie van de koopkracht te kennen. De eeuw tussen 1914 en 2014 leek me daarbij gepast als te onderzoeken tijdperk. Dit artikel bevat het verslag van mijn onderzoek, waarbij ik de technische kanten in toom houd. Ik overloop eerst de literatuur over lonen en prijzen, kijk dan naar loonverschillen tussen enkele categorieën loontrekkenden, om ten slotte de jaarlijkse evolutie van de koopkracht te volgen.

 

De sociale samenstelling van het Belgisch orangisme: een verkenning (1828-1850)

Els Witte, em. prof., VUB


In 2015 is het tweehonderd jaar geleden dat Willem I koning werd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Vijftien jaar later, in 1830, scheidden de Zuidelijke Nederlanden zich van het Noorden af. Niet iedereen was het echter  eens met die revolutie en de oprichting van een onafhankelijk België. In Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie, 1828-1850  heb ik aangetoond dat er onmiddellijk een tegenbeweging ontstond, die allesbehalve marginaal was, maar wijdvertakt en zowel in Brussel als in de provinciale hoofdsteden en kleinere steden van Vlaanderen en Wallonië actief, tot op het platteland toe. Maar wie zijn nu juist deze Belgische Oranjegezinden? In mijn boek zijn er heel wat aanknopingspunten die naar de sociale samenstelling van de beweging verwijzen. Het is gebaseerd op uitvoerig bronnenmateriaal en dus ook op talrijke lijsten met de namen van leiders, activisten, participanten en sympathisanten. Voor zover het de adel en de (hoge) burgerij betreft, stelt men vast dat de meerderheid van deze groepen zich tegen de revolutie van 1830 keerde en naar het herstel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I verlangde. Systematischer en kwantitatief onderzoek is echter nodig om de groep orangistische middenklassers af te bakenen, ook al weten we dat het aantal orangisten in deze groep niet gering was en tot verscheiden sectoren behoorde. Hoewel men er in de historische literatuur steeds van uitgaat dat de volksklasse massaal de revolutie omarmde, blijkt nu dat arbeiders die tewerkgesteld waren in sectoren die voor 1830 floreerden, ook affiniteiten met de orangistische tegenbeweging hadden. Vooral in Gent en Luik was dat goed te merken. De beweging was in de eerste plaats een elitebeweging, maar had dus toch ook medestanders en sympathisanten in andere sociale groepen. De revolutie van 1830 dreef kennelijk in alle sociale groepen een wig. Wie onder Willem I belangrijke posities had ingenomen of profiteerde van zijn economische, levensbeschouwelijke en culturele politiek en leed onder de gevolgen van de revolutie, wilde aanvankelijk terug naar het ‘Verloren Koninkrijk’.


Opgemerkt

Personeel in beeld
Op zoek naar werknemers in de logiessector aan zee (1880-1965)

Marc Constandt, conservator, Gemeente Middelkerke

In de toeristische industrie staat uiteraard de toerist centraal. Er zijn nochtans heel wat andere mensen bij betrokken. Allemaal samen maken zij het brede aanbod in de sector mogelijk. Dat is vandaag zo, maar was evengoed vroeger al het geval. Het begon bijvoorbeeld al met de boodschappers in het station, ging verder met de kok in het hotel en stopte als het ware met de redder op het strand. Zowel op het vlak van mobiliteit, logies en ontspanning stonden er heel wat mensen paraat. Daarnaast was er aan zee nog de drukke bouwnijverheid die heel wat werknemers tewerkstelde, dikwijls rechtstreeks voor de toeristische sector. Die categorieën in kaart brengen, is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Heel veel van die werknemers schuwden immers het voorplan. Ze bleven dus ook in de coulissen van de geschiedenis. Het lijkt dan ook bijzonder moeilijk om de personeelsleden die actief waren aan onze Vlaamse kust te omschrijven. Een eerste verkenning van het bronnenmateriaal voor de studie van de werknemer in de toeristische sector, meer bepaald in de logiesbranche in de periode 1880-1965, leek ons op zijn plaats. We hebben bij die verkenning ook aandacht voor het beeldmateriaal. Werden die werknemers al of niet gefotografeerd? Met andere woorden: kwamen ze al dan niet in beeld?


Opgemerkt

Project onder de loep
Vogels die niet vliegen gaan dood. 30 jaar Ghanezen in Gent en Oost-Vlaanderen

Piet Creve, collectiemedewerker, Amsab-ISG
Daphné Maes, consulent, Heemkunde Vlaanderen

Herdenkingen van historische gebeurtenissen of periodes van de meest uiteenlopende aard volgen elkaar snel op. Zo stond vorig jaar grotendeels in het teken van 50 jaar Turkse en Marokkaanse migratie naar België. Zulke initiatieven krijgen veel media-aandacht, vinden vaak een groot publiek, en ook toeristische diensten hebben hun potentieel ontdekt. Voor sommigen wordt het stilaan te veel, hier en daar valt het woord ‘herdenkingsindustrie’. Hoe dan ook, herdenkingen zijn onlosmakelijk verbonden met allerlei projecten die na afloop vaak in de nevelen van de geschiedenis verdwijnen. Dit duo-artikel gaat dieper in op een initiatief rond 30 jaar Ghanese gemeenschap in Gent en Oost-Vlaanderen dat in oktober vorig jaar afgerond werd en waar van bij de start aandacht was voor het duurzaam karakter. Naast een beschrijving van het project brengt het vooral een analyse en een evaluatie, een poging dus om de opgedane ervaringen bruikbaar te houden.